Geschiedenis WKE 1933 tot en met heden

Het begin van de Eindhovense kring is 1933 was feitelijk gezien een voortzetting van de organisatie van lezingen en discussies door het Studium Generale voor studenten van de Technische Hogeschool Delft. Als enige technische hogeschool in Nederland leverde deze opleiding veel ingenieurs af voor het NatLab van Philips in Eindhoven. Docenten en studenten hielden zich in het Studium Generale bezig met de ethisch-morele uitdagingen die de stormachtige technische uitvindingen in het begin van het decennium van de vorige eeuw met zich meebrachten. Het gevaar lag in de mogelijke aantasting van de menselijke waardigheid.

 

Een degelijk handvat werd vervolgens gevonden in de herleving van het neothomisme aan het einde van de 19e Aansluiting bij het thomisme betekende de noodzakelijke actualisatie van de middeleeuwse filosofie van Thomas van Aquino (1224/5-1274) aan de veranderende tijden met grote doorbraken op technisch gebied. Het (neo)thomisme inspireerde tijdens de eeuwwisseling tot heroverweging van de veranderende materiële en existentiëlebestaansvoorwaarden binnen een levensvisie die gericht is op de essentie van leven.

 

De veranderende en verslechterende werkomstandigheden door mechanisering van de arbeid werden reeds door het marxisme en het daaruit zich ontwikkelende communisme onder kritiek gesteld. Ook vanuit christelijke hoek wordt nagedacht over de vaak belabberde werk- en leefomstandigheden van arbeiders. Als gevolg daarvan groeide de druk op vooral studenten van christelijke huize om zich naast hun werk toe te leggen op de sociale effecten van hun uitvindingen.

 

Allerlei technische ontdekkingen zouden volgens de afgestudeerden in de technische vakken moeten worden begeleid door een voortdurende reflectie op de consequenties van hun inventiviteit. De blik moest niet alleen worden gefocust op het functionele denken, maar voortaan met name worden gericht op de waarde ervan voor mens en samenleving. Het thomisme probeerde de eenzijdigheden van zowel de abstracte vrijheidsgedachte van de liberalen als de reducering in het communisme van de economische ongelijkheid tot het loutere materiële hier en nu te vermijden.

 

In de beginjaren vanaf de oprichting in 1933 was het perspectief op de problematische kanten van hun beroep binnen de kring vooral essentialistisch van aard, maar gaandeweg -vooral na de Tweede Wereldoorlog- werd het zwaartepunt verlegd naar het concrete bestaan dat aan voortdurende verandering onderhevig is.

 

Met de overgang van het neothomisme naar de existentiefilosofie en de fenomenologie als richtinggevend voor de kring wordt steeds meer de nadruk op het existentiële karakter van de filosofiebeoefening gelegd. Met de gewijzigde houding ten opzichte van het veranderende concrete bestaan moest de verhouding tot de wetenschap worden bijgesteld. De wetenschappen hielden zich immers ook bezig met de concrete en aan verandering onderhevige werkelijkheid.

 

Voortdurende pogingen van de filosofie om zich te oriënteren op en te distantiëren van de wetenschappelijke kenwijze tonen zich in begrippenparen die binnen de kring decennia later nog aan de orde worden gesteld, zoals objectief-subjectief, rationeel-intuïtief, zintuiglijk-geestelijk, determinatie-vrije wil en toeschouwer-deelnemer.

 

De periode 1950-1980 van de kring kenmerkt zich door toewijding aan de concrete bestaanswijze van de mens in plaats van wat hij in essentie is.

 

Na de existentiële fase komt in de periode 1980-2000 het zwaartepunt te liggen op de diversiteit aan ervaringen in de menselijke bestaanswijze: de aandacht richt zich op de veelheid en veelvormigheid van het menselijke bestaan in plaats van op eenheid. Met het begrip deconstructie -het uiteenrafelen van filosofische zienswijzen tot losse bouwstenen, zoals een gebouw wordt afgebroken en alleen de bouwstenen overblijven- kan deze periode goed worden weergegeven.

 

Het perspectief op veelvormigheid van de mogelijke inrichting van het menselijk leven roept al snel -globaal genomen in de jaren 2000-2015- het verlangen op naar wat binnen de veelheid en veranderingen aan levensvormen als waardevol kan gelden zonder de veelheid en het dynamische karakter van de werkelijkheid teniet te doen.

 

De moderne metafysica (o.a. de procesfilosofie) stelt dynamiek en creativiteit centraal in haar denken: na het proces van deconstructie (analyse) volgt de fase van reconstructie van de werkelijkheid (synthese). Er worden pogingen ondernomen om van de losse bouwstenen na de deconstructie weer volgens nieuw verworven denkbeelden op te bouwen tot een nieuw ontwerp.

 

De dynamische en vernieuwende gebeurtenissen in de werkelijkheid worden op elkaar betrokken en zij vormen gezamenlijk het universum: een veelheid die op eenheid is gericht. Behalve het perspectief van de westerse filosofie komen jaarlijks de niet-westerse filosofieën aan bod met de bedoeling te komen tot een herijking van de westerse denkwijzen over vraagstukken als veelheid-eenheid, essentie-existentie, rede-geloof, lichaam-geest, etc.

 

Tot slot wordt vanaf 2015 in de filosofische verhandelingen gewezen op de gevaren die de hernieuwde gerichtheid op de eenheid met zich mee kan brengen. In de huidige maakbare wereldorde kan de vraag worden gesteld of je als persoon in staat bent te participeren aan de samenleving of dat je van deelname wordt uitgesloten.

 

Reflecteren op systematische en menselijke tekortkomingen tijdens het ordenen van de werkelijkheid blijkt een voortdurende opgave te zijn opdat mensen niet buiten boord vallen en onrechtvaardigheid niet in het door mensen aangezette veranderingsproces sluipt. Op vele niveaus van de samenleving moet de vraag naar wijs en rechtvaardig denken en handelen worden gesteld. Luisteren naar ervaringen van de ander is in dit tijdsbestek van onschatbare waarde om gevoelig te blijven voor de waardigheid van de andere mens.

 

Fasering in tijdblokken

(De grenzen van de wijsgerige stromingen zijn evenwel meer fluïde dan wordt gesuggereerd)

 

1933-1950

Op zaterdag 23 september 1933 vindt de eerste studiebijeenkomst in Eindhoven plaats met als onderwerp techniek en ethiek. De ethisch-morele discussie wordt op regelmatige basis en telkens in een weekend georganiseerd. Oprichter en begeleider is de latere hoogleraar aan de Technische Hogeschool Eindhoven (vanaf 1956) dr. Frans Tellegen.

 

De leer van het thomisme (Thomas van Aquino) is leidend om het ethisch-morele besef bij de technici van Philips aan te wakkeren, zodat zij duidelijke handvatten -éénduidige principes- in handen hebben om de eigen uitvindingen op ethische gronden te beoordelen.

 

De sociale leer van het katholieke volksdeel is geënt op heroriëntatie op het thomisme, waarmee een kritische distantie wordt ingenomen tegen enerzijds het westerse liberalisme en anderzijds het marxistische gedachtegoed dat wordt vormgegeven door het communisme. Met deze wijsgerige stellingname wordt afstand genomen van de eenzijdige benadrukking van de individuele vrijheid en tevens van de politiek-sociale dwang die de waardigheid van de persoon aantast.

 

Filosofie als ‘rationele’ bezigheid is tenslotte tot laat in de 40er jaren van de vorige eeuw binnen de kring een mannenzaak gebleven.

 

1950-1980

Onder de bezielende leiding van prof Dondeyne van de Katholieke Universiteit Leuven wordt de aandacht verlegd naar andere wijsgerige perspectieven op de werkelijkheid, namelijk de existentiefilosofie en de fenomenologie.

 

Het philosophicum van de Augustijnen Orde te Eindhoven bestaat vanaf de begin jaren 1950 uit Remigius Kwant, Wim Luijpen en wat later Samuël IJsseling. De aandacht wordt gericht op Merleau-Ponty (Kwant), de existentiële fenomenologie (Luijpen) en op Heidegger en Derrida (IJsseling).

 

Met deze wending van het thomisme naar contemporaine, hedendaagse filosofische stromingen wordt de oorspronkelijke opdracht op een nieuwe manier voortgezet. De persoonlijke capaciteiten moeten worden ontwikkeld opdat ze een bijdrage kunnen leveren aan de gemeenschap als geheel.

 

Tussen 1975 en 1977 is binnen de kring de nadruk vooral komen te liggen op de bestudering van Heidegger en zijn houding ten opzichte van de techniek: vanuit menselijk perspectief zorgen dat het individu niet tot een meeloper in de massa wordt.

 

Vanwege de aanwas aan deelnemers die vooral in het middelbaar onderwijs werkzaam waren moest het jaarlijkse programma worden aangepast. Het vizier wordt niet langer meer alleen gericht op de moreel-ethische vragen van technici, maar komen vooral ook de actuele wijsgerig-antropologische, esthetische en kentheoretische kwesties aan bod.

 

In het najaar van 1979 wordt de kring opnieuw vormgegeven met een volledig nieuw bestuur dat zich gesteund en gestimuleerd weet door de aanwezigheid op de achtergrond van een Wetenschappelijke Advies Raad.

 

1980-2000

De kring ondergaat de genoemde organisatorische ingreep onder de gezamenlijke leiding van Wim Luijpen (overlijdt in september 1980) en Theo van Velthoven. Harry Willemsen wordt benoemd als voorzitter en hij blijft ruim 47 jaar in die functie tot november 2017.

 

De officiële herstart van de kring onder leiding van Harry Willemsen vindt plaats op 26 februari 1980 met een lezing van Koo van der Wal en heeft als onderwerp ecofilosofie.

 

In het cursusjaar 1981-1982 wordt een inleidingscursus filosofie verzorgd door Harry Willemsen en daarnaast door prof. dr. Theo van Velthoven (gest. 1986) de cursus Ontvangen als intersubjectieve act.

 

Jaarprogramma’s worden voortaan ingevuld met onderwerpen uit veel filosofische invalshoeken, zoals metafysica, wijsgerige antropologie, kentheorie, wetenschapsleer, ethiek, kunstfilosofie, politieke filosofie, natuurfilosofie en sociale filosofie.

 

Leidraad bij de programmering is het destijds heersende principe ‘het einde van de grote verhalen’: de tijd van het deconstructivisme.

 

Vanaf 1985 komen in eerste instantie sporadisch de niet-westerse filosofieën aan bod, te beginnen met het Chinese taoïsme (René Ransdorp). Later in de 90er jaren van de vorige eeuw volgen de Afrikaanse filosofie (Heinz Kimmerle), de Indiase filosofie (Bruno Nagel) en de comparatieve filosofie (Ulrich Libbrecht).

 

Bij met name sociaal-filosofische onderwerpen wordt stapje voor stapje aan het vrouwelijke perspectief ruimte geboden met als destijds grootste pleitbezorgster Veronica Vasterling.

 

Het 50-jarige bestaan van de kring in 1983 wordt geopend met de feestrede Welke bijdrage kan het thomisme heden ten dage (of in de toekomst) nog leveren? door Van Melsen, hoogleraar wijsbegeerte te Nijmegen. In deze rede probeert Van Melsen de kracht en de zwakte van het (neo)thomisme bloot te leggen met betrekking tot de problemen waarvoor de wijsbegeerte destijds werd gesteld.

 

Vanaf het 60-jarig bestaan in 1993 wordt besloten om ieder lustrum een symposium met meerdere sprekers te organiseren rond een actueel onderwerp. In 1993 zijn gastsprekers Cornelis Verhoeven (Denken in kringen) en Samuel IJsseling (Denken als herdenken) met elkaar in discussie over het thema Denken.

 

In 1998 bij het 65-jarige bestaan treden dezelfde denkers in dialoog over het thema Denken en traditie.

 

2000-2015

De grote diversiteit aan actuele filosofische visies op het leven heeft in het nieuwe millennium geleid tot herbronning van filosofisch gedachtegoed met als doel het hervinden van een levensoriëntatie als mogelijke richtingwijzer voor het individu temidden van alle verandering.

 

Om genoemde reden wordt aandacht besteed aan de procesfilosofie van vooral Alfred North Whitehead (Palmyre Oomen, Jan Van der Veken) waarin een dynamische en procesmatige metafysica centraal is komen te staan met alle gevolgen van dien voor de onderscheidingen tussen geest en lichaam, tussen het organische en anorganische.

 

De nadruk in deze werkelijkheidsvisie ligt op de universele verbondenheid met ethische consequenties van de menselijke verantwoordelijkheid voor het behoud van het geheel, en in reële zin zorgdragen voor onze onmiddellijke omgeving.

 

Vanuit dit nieuwe perspectief, dat op dynamische processen is gegrond, worden in de loop der jaren de grote systeembouwers zoals Plato, Thomas van Aquino, Descartes, Spinoza, Immanuel Kant en in veel mindere mate Hegel opnieuw onder de loep genomen.

 

De diversiteit aan wijsgerige invalshoeken komt in het nieuwe millennium steeds centraler te staan en dat valt goed waar te nemen in de programmering van de lustrumvieringen.

 

Bij de 70-jarige viering in 2003 wordt het thema Wat is filosofie? belicht vanuit drie perspectieven:

  • vanuit de oosterse traditie met als spreker Bruno Nagel (Filosofie en spiritualiteit in oosters perspectief),
  • vanuit het vraagstuk van de mensenrechten met René Foqué (Filosofie met het oog op de mensenrechten),
  • en tenslotte Samuel IJsseling (Wat is filosofie?).

 

De viering van het 15e lustrum heeft als thema Actualiteit van de wijsgerige bezinning. Sprekers op dat symposium zijn Wil Derkse (Filosofie als (her)ontdekte bron van geestelijke vitaliteit), René Ransdorp (Actualiteit van de taoïstische oefening in ontvankelijkheid) en opnieuw nestor Samuel IJsseling (Denken als aandachtig zijn).

 

Mede door de introductie vanaf 1998 van filosofie als examenvak in het curriculum van het hoger middelbaar onderwijs (HAVO en VWO) maakt de kring een enorme bloei door. Leerlingen filosofie van enkele middelbare scholen maar ook hun ouders volgen in deze periode veelvuldig de avonden. Leerlingen volgen de avonden om vertrouwd te raken met de diverse vormen van filosofie bedrijven; ouders van deze leerlingen doen dat om op de hoogte raken van de onderwerpen die in de filosofielessen aan de orde worden gesteld en vooral de vragende manier waarop er over wordt nagedacht waardoor ze hun kinderen tijdens de onderlinge gesprekken kunnen volgen. De thema’s van het jaarprogramma worden ten dele aangepast aan het examenprogramma van de abituriënten.

 

2015-heden

De filosofische thema´s in het afgelopen decennium groeperen zich voornamelijk rond het vraagstuk in hoeverre ieder individu kan participeren in het geheel.

 

Nu de kwestie van het streven naar deelnemen aan een geheel zich aandient en in hoeverre iedere persoon wordt opgenomen in de eenheid en niet -en zeker niet bij voorbaat- van deelname wordt buitengesloten.

 

Te vaak staat een debat in het teken van ‘vriend versus vijand’ in plaats van de dialoog waarin het neutralere motto ‘medestander versus tegenstander’ geldt.

 

De noodzaak dringt zich op zich ontvankelijk op te stellen voor de verhalen van anderen en in dialoog met die ander te treden. De subtiliteit in het getuigenis van de ander willen en kunnen zien en aan de hand daarvan zorgdragen voor een verfijning van de reeds gecreëerde ordening.

 

De stem van andere culturen laat de limitering van het westerse denken zien. Dit geldt eveneens voor het denken en handelen m.b.t. de forensische zorg, de GGZ, gezondheidszorg, democratie, behandeling van asielzoekers, etc. etc.

 

De programmering is in de jaren vanaf 2024 volgens jaarthema’s vastgesteld:

  • Oorlog en vrede (2024–2025)
  • Participatie en uitsluiting (2025–2026)

De viering van het 85-jarig bestaan van de WKE heeft de titel “Het uitzonderlijke in de filosofie”. De lezingen zijn:

    • Getuigen van het uitzonderlijke (Gert-Jan van der Heiden): waarin de vraag wordt gesteld waarom juist een getuige in staat is om het uitzonderlijke een stem te geven.
    • God in de visie van Whitehead: God is geen uitzondering op de metafysische principes en toch totaal uitzonderlijk (Palmyre Oomen): waarin door Whitehead de zijnsdynamiek van de wereld denkbaar wordt gemaakt door middel van het begrip van de ‘radicale uitzonderlijkheid van God’.
    • De uitzonderingstoestand: een toestand zonder einde? (René Foqué): met de vraag of in rechtsstatelijk opzicht de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat onder druk staan door het uitroepen van de uitzonderingstoestand zonder beperkingen qua tijdsduur, doelmatigheid en beleidsdomein.
    • Turkse uitzonderlijkheid en Europese hypocrisie (Gerrit Steunebrink): met de heikele vraag welke redenen hebben gespeeld bij het uitroepen van de uitzonderingssituatie door Erdogan in Turkije en welke rol Europa in die beslissing heeft gespeeld.

Het 90-jarig bestaan (2023) wordt gevierd met het symposium getiteld “Kwetsbaar en weerbaar” met de volgende toespraken:

    • Kwetsbaar en weerbaar: proeve van een metafysisch-filosofische benadering (Palmyre Oomen): een metafysische doordenking van begrippen kwetsbaar en weerbaarheid via ‘de filosofie van het organisme’ van Whitehead en Hartmut Rosa’s inzicht van de “onbeheersbaarheid’ van menselijke zijnden en hun relaties.
    • Waarom zouden we kwetsbaar moeten zijn? (Gerrit Steunebrink): zonder passiviteit, die aan kwetsbaarheid ten grondslag ligt, kan de mens niet open staan t.o.v. de werkelijkheid. Toch moeten we ons weerbaar opstellen om ons te wapenen tegen en ons staande te houden in de werkelijkheid.
    • Getuigen van kwetsbaarheid als vorm van weerbaarheid (Gert-Jan van der Heiden): de spreker probeert de vraag te beantwoorden ‘hoe getuigenissen van kwetsbaarheid kunnen bijdragen aan een vorm van weerbaarheid’.
    • De vreugde van de vissen (Patricia Konings): een bespreking aan de hand van enkele taoïstische denkers in China die kwetsbaarheid als waardevol beschouwen.

Betekenisvol is de aansluiting die in het kader van ‘kwetsbaar’ en ‘weerbaar’ kan worden gevonden bij recente ontwikkelingen binnen de filosofie, zoals de ecofilosofie. Het bewustzijn geworteld te zijn in een gemeenschap en de onderlinge verbondenheid via het aan het zicht onttrokken wortelsysteem biedt handvatten zich weerbaar op te stellen. Je staat er in al je kwetsbaarheid niet alleen voor en door de onderlinge verbondenheid met anderen weet je je ten diepste gesteund en word je in beweging gezet.

 

In dit verband kan worden gewezen op de uitdaging voor de westerse filosofie om de verbondenheid met filosofieën van andere culturen te ervaren en verwoorden. De onderlinge verbondenheid -zonder de onderscheiden filosofische tradities met elkaar te vermengen- kan slechts worden ervaren door voortdurend de filosofische aandacht over de eigen grenzen heen te richten op en te luisteren naar het waardevolle van andere culturele denkwijzen.

 

Cursusjaar 2026-2027

Het komende cursusjaar 2026-2027 heeft als overkoepelend thema “Naar het goede leven” waarin opnieuw vanuit diverse wijsgerige domeinen ‘het goede leven’ zal worden bevraagd, zowel in de betekenis van het op weg zijn naar het goede leven als het leven volgens het goede.

 

Een uitgebreide beschrijving van het ontstaan van de kring en de ontwikkelingen door de jaren heen tot en met heden is opgenomen in het bijgaande document.